Chronish Trauma

Achtergrond en ontwikkelingen ten aanzien van chronische traumatisering en dissociatieve stoornissen in Nederland

In Nederland is de belangstelling voor de dissociatieve stoornissen in de loop van de jaren tachtig toegenomen, in het bijzonder door Onno van der Hart, die het oorspronkelijke werk van Pierre Janet opnieuw onder de aandacht heeft gebracht (Van der Hart, 1986; Van der Hart & Horst, 1988).

Boon en Van der Hart publiceerden de eerste klinische artikelen over diagnostiek en behandeling van de meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS), thans dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) (Boon & Van der Hart, 1988, 1989; Van der Hart, 1991). Deze publicaties werden gevolgd door het eerste boek dat geheel aan de behandeling van de dissociatieve stoornissen is gewijd: Dissociatieve stoornissen en psychotrauma (Nijenhuis, 1994). Van het in 1991 verschenen Trauma, dissociatie en hypnose is inmiddels, in 2003, de vierde druk verschenen (Van der Hart, 2003).

 

Onderzoek naar dissociatieve symptomen en stoornissen in Nederland en België

Eind jaren tachtig startten Boon en Draijer onderzoek naar de diagnostiek van dissociatieve stoornissen aan de hand van het Structured Clinical Interview for DSM-IV Dissociative Disorders (SCID-D, Steinberg, 1993, 1994a&b, 1995). Dit interview werd vertaald en in Nederland gevalideerd en op betrouwbaarheid onderzocht (Boon & Draijer, 1991, 1991, 1993a,b,c, 1995a&b; Draijer & Boon, 1997). Het interview bleek een zeer goede validiteit en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid te bezitten. Het gaf goede mogelijkheden om dissociatieve stoornissen te onderscheiden van andere psychiatrische stoornissen; zelfs ten opzichte van verwante stoornissen, zoals de borderline persoonlijkheidsstoornis, bleek het goed te kunnen differentiëren. Hiernaast werd een screeningsvragenlijst, de Dissociative Experiences Scale (DES, Bernstein & Putnam, 1986) vertaald en gevalideerd (Draijer & Boon, 1993). Tevens publiceerden Boon en Draijer het boek Screening en diagnostiek van dissociatieve stoornissen geschreven, een gids voor de voor klinische praktijk gebaseerd op het onderzoek gedaan in Nederland met de SCID-D en de DES (Boon & Draijer, 1995). Zij beschreven ook de patiënten die er zelf onterecht van overtuigd zijn dat zij een dissociatieve stoornis hebben (Draijer & Boon, 1999). Draijer en Langeland (1999) onderzochten de prevalentie en ernst van dissociatieve symptomen bij een opgenomen psychiatrische populatie; hieruit bleek een verband met traumatische ervaringen in de voorgeschiedenis; met seksueel misbruik meer dan met fysieke mishandeling, maar ook affectieve verwaarlozing speelde een rol.

Ook in België ontstond er eind jaren tachtig interesse voor de diagnostiek en behandeling van dissociatieve stoornissen. Vanderlinden, van Dyck, Vandereycken en Vertommen (1992a, 1993a) ontwikkelden de Dissociation Questionnaire (DIS-Q), een betrouwbaar en valide zelfrapportage instrument voor het screenen van dissociatieve stoornissen. De DIS-Q is inmiddels in ongeveer 16 talen vertaald en wordt regelmatig gebruikt in buitenlandse studies. Vanderlinden en collega’s deden verder onderzoek naar het voorkomen van dissociatieve symptomen in de Vlaamse en Nederlandse populatie (1991; 1992b, 1993b&c) en bestudeerden het verband tussen trauma en dissociatie bij een grote groep patiënten met een eetstoornis. Dit resulteerde in de publicatie van het boek Trauma, dissociation and impulse dyscontrol in eating disorders (Vanderlinden & Vandereycken, 1997). Het boek werd vertaald in het Frans, Spaans en Italiaans.

Friedl en Draijer (2000) deden onderzoek naar de prevalentie van dissociatieve stoornissen onder opgenomen psychiatrische patiënten (Friedl & Draijer, 2000; Friedl, Draijer & De Jonge, 2000). Zij vonden dat 8% een dissociatieve stoornis had en 2% een dissociative identiteitsstoornis; 2% had een nagebootste dissociatieve stoornis.

Nijenhuis en collega’s deden onderzoek naar somatoforme dissociatieve symptomen en ontwikkelden een zelf-rapportage vragenlijst, de Somatoform Dissociation Questionnaire (SDQ-20) waarmee de ernst van deze symptomen kan worden bepaald (Nijenhuis et al, 1996, 1997, 1998b; Nijenhuis, 1999/2004). Een verkorte versie van deze vragenlijst (SDQ-5) vormt een effectieve screener voor DSM-IV dissociatieve stoornissen (Nijenhuis et al., 1997, 1998b).

Reinders en collega’s (2003, 2006) deden onderzoek naar de psychobiologie van de dissociatieve identiteitsstoornis. De artikelen naar aanleiding van dit onderzoek verschenen in de vooraanstaande tijdschriften NeuroImage en Biological Psychiatry.

Hermans en collega’s (2006) onderzochten voorbewuste verwerking van bedreigende stimuli bij DIS.

Draijer (1989) ontwierp een Gestructureerd Trauma Interview, terwijl Nijenhuis en collega?s (1998a; 2002) een zelfrapportage vragenlijst naar belastende ervaringen (VBE/Traumatic Experiences Checklist, TEC) ontwikkelden.

Vermetten en een internationale groep onderzoekers hebben met behulp van MRI de volumes gemeten van de hippocampus en amygdala bij 15 vrouwelijke DIS patiënten en 23 vrouwen zonder DIS of een andere psychische aandoening (Vermetten, Schmahl, Lindner, Loewenstein, & Bremner, 2006). Zij stelden vast dat het hippocampal volume 19,2% kleiner was en het amygdala volume 31,6% kleiner waren bij de DIS-patiënten dan bij de controle-groep.

Ehling, Nijenhuis en Krikke (2001, 2003, 2004) rapporteerden een vergelijkbaar kleiner volume van de hippocampus bij DIS, een ongeveer 10% kleinere amygdala en een 20% geringere parahippocampale gyrus. Dissociatieve stoornis NAO in de vorm van een minder ontwikkelde vorm van structurele dissociatie van de persoonlijkheid dan DIS was geassocieerd met een 15% kleinere hippocampus, maar ook met een 20% kleinere parahippocampale gyrus.

Aan de Universiteit Utrecht hebben Huntjes, Postma, Woertman en Van der Hart (Huntjes, 2003; Huntjes et al., 2002, 2003, 2005a&b) bij DIS-patiënten experimenteel onderzoek gedaan naar amnesie tussen onderscheiden dissociatieve delen van de persoonlijkheid. Deze amnesie kon niet worden vastgesteld; integendeel, er bestond overdracht van informatie tussen de deelnemende delen van de persoonlijkheid, ondanks een gerapporteerd subjectief beleven van amnesie. Deze bevindingen ondersteunen de bestaande opvatting dat de scheiding tussen dissociatieve delen niet absoluut is.

In een ander onderzoek aan de Universiteit Utrecht, stelden Van der Hart, Bolt en Van der Kolk (2005) vast dat DIS-patiënten die aanvankelijke amnesie voor traumatische ervaringen rapporteerden de herinneringen hieraan terug kregen als somatosensorische ervaringen; niet als narratieve herinneringen. Een extra bevinding was dat hun herinneringen aan belangrijke niet-traumatische ervaringen aanvankelijk evenmin een narratief karakter hadden, maar zich eveneens op een somatosensorisch niveau afspeelden.

 

Onderzoek naar (complexe) posttraumatische stressstoornis in Nederland

Dorrepaal, Thomaes en Draijer (2006) onderzoeken met behulp van een ‘multi-site’ randomized controlled trial (RCT) de effectiviteit van een stabiliserende groepsinterventie voor vrouwen met complexe PTSS (of extreme stress-stoornissen) als gevolg van traumatisering in de vroege voorgeschiedenis. In pilot-onderzoek is de effectiviteit al gebleken. Thomaes onderzoekt de neurobiologische markers van complexe PTSD.

De theorie van structurele dissociatie van de persoonlijkheid

Samen met Kathy Steele, Atlanta, Georgia, USA, hebben Ellert Nijenhuis en Onno van der Hart de theorie van structurele dissociatie van de persoonlijkheid ontwikkeld, die via een aantal hoofdstukken, artikelen en een recent verschenen boek internationaal ingang heeft gevonden (Nijenhuis, Van der Hart, & Steele, 2002, 2004; Steele, Van der Hart, & Nijenhuis, 2001, 2005; Van der Hart, Nijenhuis, & Steele, 2005, 2006; Van der Hart, Nijenhuis, Steele, & Brown, 2004). Deze theorie is geworteld in Janets dissociatie-theorie en actie-psychologie en integreert moderne inzichten en bevindingen uit ondermeer de attachment-theorie, leertheorie en evolutionaire psychologie en psychobiologie, in het bijzonder affective neuroscience en psychobiologisch trauma-onderzoek. Zij gaat ervan uit dat traumatisering bestaat uit een fundamentele divisie van de persoonlijkheid in twee of meer dissociatieve delen die in hoofdzaak betrokken zijn in uitoefenen van functies in het dagelijkse leven en een of meer dissociatieve delen die gefixeerd zijn in traumatische herinneringen en betrokken zijn bij acties die overeenkomen met dierlijke defensieve reacties wanneer de persoon is blootgesteld aan werkelijke of veronderstelde bedreiging. De theorie beschrijft de verschillende fobieën die deze structurele dissociatie in stand houden en richt de aandacht op de specifieke acties die getraumatiseerde mensen moeten verrichten om hun integratieve capaciteit te verhogen, de dissociatie op te lossen en zich meer adaptieve acties eigen maken om de problemen van het dagelijks leven en van de traumatisering het hoofd te bieden. Zo wordt ondermeer aangegeven welke specifieke taken moeten worden uitgevoerd in de successieve fasen van fasengerichte behandeling van chronische traumatisering Bovengenoemd onderzoek van Nijenhuis en collega’s vormt een gedeeltelijke empirische bevestiging van deze theorie.

 

Ontwikkelingen ten aanzien van behandeling van dissociatieve stoornissen

Bij de behandeling van vroeg getraumatiseerde cliënten lijkt wereldwijd klinische consensus te bestaan over een basaal fasenmodel, bestaande uit de volgende drie fasen: (1) stabilisatie en symptoomreductie; (2) behandeling van traumatische herinneringen; (3) reïntegratie en rehabilitatie (zie voor Nederlandstalige verwijzingen o.a. Van der Hart, 1991, 2003; Nicolai, 2003; Nijenhuis, 1995). Een langerdurende ambulante psychotherapie of sociaal-psychiatrische begeleiding vormt de basis van de behandeling. Deeltijd-behandelingen, vaardigheidstrainingen en nonverbale therapieën kunnen een belangrijke aanvulling vormen. Ook medicamenteuze behandeling biedt soms ondersteuning bij de individuele psychotherapie.

In Nederland is er consensus dat langerdurende klinische opnames doorgaans niet geïndiceerd zijn. Kortdurende klinische crisis interventies of de zogenoemde “bed op recept” regelingen kunnen wel een belangrijke ondersteuning vormen tijdens een lopende behandeling.

Recent heeft de International Society for the Study of Dissociation (ISSD), thans International Society for the Study of Trauma and Dissociation (ISSTD), de richtlijnen voor behandeling gereviseerd (International Society for the Study of Dissociation, 2005). Hierin hebben ook Nederlandse klinici een inbreng gehad. Onderzoek naar de effectiviteit van de behandeling van patiënten met een dissociatieve stoornis of een complexe posttraumatische stress-stoornis is er echter nog nauwelijks.

Thans zijn er op verschillende plekken in Nederland specialistische zorgprogramma’s, specifieke deeltijdbehandelingen of vaardigheidstrainingen voor de behandeling van cliënten met dissociatieve stoornissen of complexe posttraumatische stress-stoornissen. Een terugkerend dilemma echter is het gebrek aan individuele psychotherapeuten die geschoold zijn in de behandeling van cliënten met dissociatieve en chronisch posttraumatische stress-stoornissen in Nederland. Ook het beruchte maximum van 50 zittingen voor psychotherapie als een maximum aantal sessies dat gefinancierd wordt door de zorgverzekeraars hebben veel vrijgevestigde psychotherapeuten ertoe gedwongen te besluiten deze patiëntenpopulatie niet langer in behandeling te nemen. Het Landelijke Centrum voor Vroegkinderlijke chronische Traumatisering (LCVT), een initiatief van een aantal hulpverleners, wetenschappers en patiënten met een dissociatieve stoornis, heeft aandacht gevraagd voor dit probleem. Verheugend nieuws is dat in januari 2007 een aantal centra in Nederland van start zal gaan met een uitbreiding van “state of the art” behandelaanbod aan chronisch getraumatiseerde cliënten. Meer over het LCTV en deze ontwikkelingen leest u in een aparte bijgevoegde notitie.

 

References
  1. Bernstein, E.M., & Putnam, F.W. (1986). Development, reliability and validity of a dissociation scale. Journal of Nervous and Mental Disease, 174, 727-735.
  2. Boon, S., & Van der Hart, O. (1988). Het herkennen van dissociatieve stoornissen, in het bijzonder de multiple persoonlijkheids¬stoornis. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 43, 1208 1225.
  3. Boon, S., & Van der Hart, O. (1989). De behandeling van de multiple persoonlijkheidsstoornis: Trauma en dissociatie 3. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 44, 1283-1299.
  4. Boon, S., & Draijer, N. (1991). Diagnosing dissociative disorders in the Nether¬lands: A Pilot Study with the Structured Clinical Interview for DSM III R Dissociative Disorders. American Journal of Psychiatry, 148, 458-462.
  5. Boon, S., & Draijer, N. (1993). Multiple Personality Disorder in the Netherlands: A clinical investigation of 71 patients. American Journal of Psychiatry, 150, 1993, 489-494. (a)
  6. Boon, S., & Draijer, N. (1993). Multiple Personality Disorder in the Netherlands: A study on reliability and validity of the diagnosis. Swets & Zeitlinger. (b)
  7. Boon, S., & Draijer, N. (1993). The differentiation of patients with MPD or DDNOS from Patients with a Cluster B Personality Disorder. Dissociation, 6, 126-135. (c)
  8. Boon, S., & Draijer, N. (1995). Comorbiditeit bij MPS. In C.A.L. Hoogduin e.a. (red.), Jaarboek voor psychiat¬rie en psychothe¬rapie (pp.103-112). Deventer: Van Loghum Slaterus. (a)
  9. Boon, S., & Draijer, N. (1995). Screening en diagnostiek van dissociatieve stoornissen. Lisse: Swets & Zeitlinger. (b)
  10. Dorrepaal, E., Thomaes, K., & Draijer, P. J. (2006). Stabilisatiecursus als antwoord op complexe posttraumatische stressstoornis: Diagnostiek, behandeling en onderzoek bij vrouwen met een complexe posttraumatische stressstoornis. Tijdschrift voor Psychiatrie, 48, 217-222.
  11. Draijer, N. (1989). Gestructureerd trauma interview [cursiveren]. Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam
  12. Draijer, N., & Boon, S. (1996). Knelpunten in de differentiële diagnostiek van de dissociatieve identiteitsstoornis. Tijdschrift voor Psychiatrie, 38, 108?122.
  13. Draijer, N., & Boon, S. (1999). The imitation of dissociative identity disorder: Patients at risk, therapists at risk. The Journal of Psychiatry & Law, 27, Fall-winter, 423-458.
  14. Draijer N., & Langeland W., (1999).Childhood trauma and perceived parental dysfunction in the etiology of dissociative symptoms in psychiatric inpatients. American Journal of Psychiatry, 156, 379-85.
  15. Ehling, T., Nijenhuis, E.R.S., & Krikke, A. (2001). Hippocampal volume in dissociative identity disorder and matched healthy controls. Proceedings of the 18th International Fall Conference of the International Society for the Study of Dissociation. New Orleans, December 2-4.
  16. Ehling, T., Nijenhuis, E.R.S., & Krikke, A.P. (2003). Volume of discrete brain structures in women with florid florid and recovered DID, DDNOS, and healthy controls. 20th International Fall Conference of the International Society for the study of Dissociation. November 2-4.
  17. Ehling, T., Nijenhuis, E.R.S., & Krikke, A. (2004). Amygdalar volume in women with florid florid and recovered DID, DDNOS, and healthy controls. International Society for the Study of Dissociation, 21st International Fall Conference. New Orleans, November 18-20.
  18. Friedl, M.C., & Draijer, N. (2000) Dissociative disorders in Dutch psychiatric inpatients. American Journal of Psychiatry, 157, 1012-1013.
  19. Friedl, M.C., Draijer, N., De Jonge, P. (2000) Prevalence of dissociative disorders in psychiatric in-patients: The impact of study characteristics, Acta Psychiatrica Scandinavica, 102, 423-428.
  20. Hermans, E.J., Nijenhuis, E.R.S., Van Honk, J., Huntjens, R., & Van der Hart, O. (2006). State dependent attentional bias for facial threat in dissociative identity disorder. Psychiatry Research, 141, 233-236.
  21. Huntjes, R. (2003). Apparent amnesia: Interidentity memory functioning in dissociative identity disorder. Universiteit Utrecht, academisch proefschrift.
  22. Huntjens, R.J.C., Postma, A., Peters, M., Hamaker, E.L., Woertman, L., & Van der Hart, O. (2002). Perceptual and conceptual priming in patients with dissociative identity disorder. Memory & Cognition, 30, 1033-1043.
  23. Huntjens, R.J.C., Postma, A., Peters, M., Woertman, L., & Van der Hart, O. (2003). Inter-identity amnesia for neutral, episodic information in dissociative identity disorder. Journal of Abnormal Psychology, 112, 290-297.
  24. Huntjens, R. C., Peters, M.L., Postma, A., Woertman, L., Effting, M., & Van der Hart, O. (2005). Transfer of newly acquired stimulus valence between identities in dissociative identity disorder (DID). Behaviour Research and Therapy, 43, 243-255. (a)
  25. Huntjens, R. C., Postma, A., Woertman, L., Van der Hart, O., & Peters, M.L. (2005). Procedural memory in dissociative identity disorder: When can interidentity amnesia be truly established? Consciousness & Cognition, 14, 377-389.(b)
  26. International Society for the Study of Dissociation (2005). Guidelines for treating dissociative identity disorder (2005). Journal of Trauma & Dissociation, 6(4), 69-149.
  27. Nicolai, N. (Red.) (2003). Hulpverlening na seksueel misbruik. Leusden: De Tijdstroom.
  28. Nijenhuis, E.R.S. (1994). Dissociatieve stoornissen en psychotrauma. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  29. Nijenhuis, E.R.S. (1999). Somatoform dissociation: Phenomena, measurement, and theoretical issues. Assen, The Netherlands: Van Gorcum.; uitgebreide herdruk Norton, NY, 2004. Duitse vertaling: Junfermann, 2006.
  30. Nijenhuis, E.R.S., Spinhoven, P., Van Dyck, R., Van der Hart, O., & Vanderlinden, J. (1996). The development and the psychometric characteristics of the Somatoform Dissociation Questionnaire (SDQ 20). Journal of Nervous and Mental Disease, 184, 688 694.
  31. Nijenhuis, E.R.S., Spinhoven, P., Van Dyck, R., Van der Hart, O., & Vanderlinden, J. (1997). The development of the Somatoform Dissociation Questionnaire (SDQ 5) as a screening instrument for dissociative disorders. Acta Psychiatrica Scandinavica, 96, 311 318.
  32. Nijenhuis, E.R.S., Spinhoven, P., Van Dyck, R., Van der Hart, O., & Vanderlinden, J. (1998). Degree of somatoform and psychological dissociation in dissociative disorders is correlated with reported trauma. Journal of Traumatic Stress, 11, 711-730. (a)
  33. Nijenhuis, E.R.S., Spinhoven, P., Van Dyck, R., Van der Hart, O., & Vanderlinden, J. (1998). Psychometric characteristics of the Somatoform Dissociation Questionnaire: A replication study. Psychotherapy & Psychosomatics, 67, 17-23. (b)
  34. Nijenhuis, E.R.S., Van der Hart, O., & Kruger, K. (2002). The psychometric characteristics of the Traumatic Experiences Questionnaire (TEC): First findings among psychiatric outpatients. Clinical Psychology and Psychotherapy, 9(3), 200-210.
  35. Nijenhuis, E.R.S., Van der Hart, O. & Steele, K. (2002). The emerging psychobiology of trauma-related dissociation and dissociative disorders. In H. D?haenen, J.A. den Boer & P. Willner (Eds.), Biological Psychiatry (pp. 1079-1098). Chicester, New York: John Wiley & Sons.
  36. Nijenhuis, E.R.S., Van der Hart, O., & Steele, K. (2004). Trauma-related structural dissociation of the personality. www.trauma-pages.com.
  37. Reinders, A.A.T.S., Nijenhuis, E.R.S., Paans, A.M.J., Korf, J., Willemsen, A.T.M., & Den Boer, J.A. (2003). One Brain, Two Selves. NeuroImage, 20, 2119-2125.
  38. Reinders, A.A.T.S., Nijenhuis, E.R.S., Quak, J., Korf, J., Paans, A.M.J., Haaksma, J., Willemsen, A.T.M., & Den Boer, J. (2006). Psychobiological characteristics of dissociative identity disorder: A symptom provocation study. Biological Psychiatry, 60, 730-740.
  39. Steele, K., Van der Hart, O., & Nijenhuis, E.R.S. (2001). Dependency in the treatment of complex posttraumatic stress disorder and dissociative disorders. Journal of Trauma and Dissociation, 2(4), 79-116.
  40. Steele, K., Van der Hart, O., & Nijenhuis, E.R.S. (2005). Phase-oriented treatment of structural dissociation in complex traumatization: Overcoming trauma-related phobias. Journal of Trauma and Dissociation, 6(3), 11-53.
  41. Steinberg, M.(1993) Structured clinical interview for DSM-IV dissociative disorders (SCID-D). Washington, DC: American Psychiatric Press.
  42. Steinberg, M.(1994). Structured clinical interview for DSM-IV dissociative disorders-revised (SCID-D-R). Washington, DC: American Psychiatric Press. (a)
  43. Steinberg, M. (1994). Interviewer?s guide to the structured clinical interview for DSM-IV dissociative disorders ?revised (SCID-D-R). Washington, DC: American Psychiatric Press. (b)
  44. Steinberg, M. (1994) (Ned. vert. Boon, S. & Draijer, N.). Gestructureerd klinisch interview voor de DSM-IV Dissociative Stoornissen. Lisse: Swets & Zeitlinger. (c)
  45. Steinberg, M. (1995). Handbook for the assessment of dissociation: A clinical guide. Washington, DC: American Psychiatric Press.
  46. Steinberg, M., Rounsaville, B., & Cichetti, D. ( 1990). The structured clinical interview for DSM-III-R dissociative disorders: Preliminary report on a new diagnostic instrument. American Journal of Psychiatry, 147, 76-82.
  47. Van Dyck, R., & Draijer, N. (2000). Dissociatieve stoornissen. In W. Vandereycken, C.A.L. Hoogduin, & P.M.G. Emmelkamp (Eds.), Handboek Psychopathologie. Deel 1 basis begrippen (pp. 255-276). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  48. Van der Hart, O. (1986), Pierre Janet over hysterie en hypnose. Directieve therapie, 6, 223 246.
  49. Van der Hart, O. (Red.) (1991). Trauma, dissociatie en hypnose. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.
  50. Van der Hart, O. (Red.) (2003). Trauma, dissociatie en hypnose, 4e druk. Lisse: Swets & Zeitlinger.
  51. Van der Hart, O., Bolt, H., & Van der Kolk, B. A. (2005). Memory fragmentation in dissociative identity disorder. Journal of Trauma and Dissociation, 6(1), 55-68.
  52. Van der Hart, O., & Horst, R. (1988). De dissociatie theorie van Pierre Janet. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 43, 796 816.
  53. Van der Hart, O., Nijenhuis, E. R. S., Steele, K., & Brown, D. (2004). Trauma-related dissociation: Conceptual clarity lost and found. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 38, 906-914.
  54. Van der Hart, O., Nijenhuis, E. R. S., & Steele, K. (2005). Dissociation: An insufficiently recognized major feature of complex PTSD. Journal of Traumatic Stress, 18, 413-424.
  55. Van der Hart, O., Nijenhuis, E.R.S., & Steele, K. (2006). The haunted self: Structural dissociation and the treatment of chronic traumatization. New York/London: W.W. Norton & Co.
  56. Vanderlinden, J. (1993). Dissociative experiences, trauma and hypnosis. Delft: Eburon.
  57. Vanderlinden, J., Van Dyck, R., Vandereycken, W., & Vertommen, T. (1991). Dissociative experiences in the general population in the Netherlands and Belgium: A study with the Dissociative Questionnaire (DIS-Q). Dissociation, 4, 180-184.
  58. Vanderlinden, J., Van Dyck, R., Vertommen, H., & Vandereycken, W. (1992). De Dissociation Questionnaire : Ontwikkeling en karakteristieken van een dissociatievragenlijst. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 47, 134-147. (a)
  59. Vanderlinden, J., Van Dyck, R., Vandereycken, W., & Vertommen, H. (1992). Dissociatie en traumatische ervaringen in de Nederlandse bevolking. In K. Hoogduin et al. (Red.), Jaarboek Psychiatrie en Psychotherapie (pp. 245-253). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. (b)
  60. Vanderlinden, J., Van Dyck, R., Vandereycken, W., Vertommen, H. & R.J., Verkes (1993). The Dissociation Questionnaire: Development and characteristics of a new self-reporting questionnaire. Clinical Psychology and Psychotherapy, 1, 21-27. (a)
  61. Vanderlinden, J., Van Dyck, R., Vandereycken, W., & Vertommen, H.(1993). Dissociatieve ervaringen bij Nederlanders en Vlamingen. Directieve Therapie, 13, 56-76. (b)
  62. Vanderlinden, J., Van Dyck, R., Vandereycken, W., & Vertommen, H. (1993). Dissociation and traumatic experiences in the general population of the Netherlands. Hospital and Community Psychiatry, 44, 786-788. (c)
  63. Vanderlinden, J., Vandereycken, W., Van Dyck, R., & Vertommen, H. (1993). Dissociative experiences and trauma in eating disorders. International Journal of Eating Disorders, 13, 187-194. (d)
  64. Vanderlinden, J., & Vandereycken, W. (1997). Trauma, dissociation, and impulse dyscontrol in eating disorders. New York: Taylor & Francis / Brunner/Mazel. Dit boek is vertaald (translated) in: in Italian: (1998) Le origine traumatiche dei Disturbi Alimentari. Roma: Astrolabio Editore, in Spanish: (1999) Trauma, Disociacion y Descontrol de los impulsos en los trastornos alimentarios. Madrid: Ediciones Granica. in French: (2000) Traumatismes et troubles du comportements alimentaires. Guide Diagnostique et Thérapeutique. Brussel: Satas.
  65. Vermetten, E., Schmahl, C., Lindner, S., Loewenstein, R.J., & Bremner, J.D. (2006). Hippocampal and amygdala volumes in dissociative identity disorder. American Journal of Psychiatry, 163, 630-636